Thomas Cool en Louis Couperus


Thomas Cool (Sneek 1851 - Bussum 1904)
Louis Couperus (Den Haag 1863 - De Steeg 1923)
Rome 1892-1896
Zie Van Gogh

Inleiding

Sander Bink vraagt terecht naar meer gegevens omtrent het contact tussen Cool en Couperus.

De Hollandse kring

In 1892-1896 was TC1851 met gezin in Rome en bestond de mogelijkheid tot contact met Couperus. Wereldreiziger en correspondent Maurits Wagenvoort (1909) noemt het gezelschap. Van de schilders zijn er naast TC1851 ook Piet De Josselin de Jong  (1861-1906) en Romolo Koelman (1847-1912). 
  • Geen van beiden maakte echt de soort werken waar Couperus, TC1851 en "Duco van der Staal" interesse in hadden. We hebben het over een Hollandse schilder in Rome, tenzij Couperus helemaal de dikke duim gebruikt.
  • "Duco" zou een label voor "Du Co(ol)" kunnen zijn - en "staal" voor zijn staalblauwe ogen (en "staal" was al een gangbare term). Eventueel "Du-Ko(elman)" maar dan K -> C. 
  • Couperus is ook vanwege Insulinde bekend maar: “De geschiedenis van Europese culturen, de klassieke veruit het meest, boeide hem meer dan het Indië van vroeger en het Indië van zijn tijd” (Van Gemeren (2010:60)) en hij deelt die interesse intensief met TC1851.

Het boek zelf

Couperus gooide blijkbaar alles weg en misschien kunnen we de (riskante) methode-Bastet volgen en kijken in Couperus (1899, 1989) “Langs lijnen van geleidelijkheid”. Dit boek is fictie. Denkelijk vangt hij effecten van meer schilders, en mogelijk vroeg hij zich af hoe het zou zijn als hij zélf schilder was. Toch laat het contact met Cool denkelijk wel zijn sporen na. 

Een citaat van TC1851 in zijn opstel "Synthese" (TC1921 (1998)): 

"Nooit is een kunstwerk af, nooit is het goed, nooit is het volmaakt, maar juist doordat het dat nooit is, is het een kunstwerk wanneer het door een kunstenaar gemaakt is en zijn ziel er in is gelegd. Het kunstwerk dat is het heilige der heiligen vertoond aan de menigte. Dat is de heilige geest die nederdaalt en geïncarneerd is."
Couperus laat Duco van der Staal dit zeggen (1989:48-49):
"En toen Cornélie hem vroeg waarom niets af was, antwoordde hij, dat niets goed was. Hij zag de luchten als droomen, vizioenen en apotheozen, en op papier werden ze water en verf, en vèrf, dat was niet af te maken."

P55: "Hij, artist, maar vooral droomer, zag soms scherp, trots zijn droomen, trots zijn soms alles omvattend gevoel voor lijn en voor kleur en voor waas; hij, artist en droomer, zag dikwijls als helderziend de emotie schemeren door het voordoen der menschen, zag de ziel, als een licht door albast heen, en hij zag haar eenklaps verloren (...)"

Enfin

In essentie blijft het speculeren want er is nog geen wetenschappelijke uitgave waarin al het materiaal is doorploegd om tot een afgewogen weergave (geen oordeel) te komen van wat TC1851 bewoog en bereikte. En hoe zich dat verhoudt tot contacten met Couperus als daar directe bewijzen voor zijn.

Wat ik over TC1851 op mijn website zet heeft het doel om zo'n wetenschappelijke uitgave te veroorzaken.

In aanzet daartoe lijkt het nuttig nog iets meer citaten te verzamelen. Hier staat een eerdere tekst t.a.v. TC1851’s motivatie. Ik beperk me in het navolgend tot enkele gemakkelijk controleerbare citaten. Voor deze inperking zijn practische redenen zoals tijd maar ook mijn mogelijk gekleurde positie als nazaat en fan. 

Winters (2010:54) noemt sommige uitspraken van TC1851 cryptisch – ik moet soms zelf denken aan Terpen Tijn – maar het lijkt eerder steno dat niet bedoeld is voor communicatie met anderen – welke communicatie tenslotte toch vooral via de schilderijen liep. Ik ontkom niet aan de indruk: Louis Couperus heeft klaarblijkelijk met TC1851 gesproken en e.e.a. communicatiever weergegeven, voorzover hij inderdaad TC1851 weergeeft.

Over TC1851

TC1851: “Het geen ik zeg is door mijn werk” (TC1921 (1999:6 punt 25)). 

Deze uitspraken van TC1851 zijn te vinden bij Winters (2010:54):

“Rembrandt heeft ons door zijn werk de oogen geopend voor ‘t geen schilderachtig is. Hij leert ons wat zijn licht- en bruineffecten zijn. Ik ga verder, voor mij zijn het phenomena in de natuur en het dramatisch sentiment waarmede ik de dingen zie.”
“Ik maak nooit wat ik zie, maar ‘t geen mijn oogen vervoert tot hooger leven.” 
Over het schilderij “Colosseum bij Maanlicht”: “Hier is het vraagstuk opgelost, dat van de vervoering voor te stellen die mij het Colosseum schiep. De keuze van ‘t Phenomena, van de wijze van voorstelling, de lichtsuggestie, het in elkaar overgaan der kleuren. Het volle der voorstelling, ook van de kleurenrijkdom der natuur, al de gamma’s door.”
Over het aquarel “Thermen van Caracalla”: “thermen is de poeëm van kleuren, licht en pracht, ‘t Lichteffect stil verspreid, opdat de pracht des marmers, getemperd door ‘t licht, zeer harmonieus”.
Het ruimtelijk effect van de Sint-Pieter is moeilijk in een schilderij van 30 bij 20 cm te vangen. Winters (2010:21) noemt TC1851’s oplossing:
“Nadien heb ik een groote teekening met zwart krijt gemaakt van de St. Pieterskerk, wel 3 meter lang en 2 meter hoog. Ook die is bijna gereed. Mijn doel is daarmede eenigszins dezelfde grootse indruk te geven als wanneer men in het gebouw komt.”
Ros (2003) selecteerde enkele citaten uit de tentoonstellingscatalogus van 1916 en het boek van dochter Tine uit 1928:
“Wanneer ik schilder, dan geef ik weer van ‘t landschap om Rome, de lieflijkheid der natuur, die wezenlijk muziek is, de ruïnenpracht en drama, het oude en nieuwe Rome.” (Catalogus 1916 – geciteerd door Ros (2003))

“Vader moet heel erg hard werken, vader moet zooveel schilderen en eerst allemaal studie’s maken voor het groote schilderij. Vader moet zonder rusten werken en dan wordt wat klaar is verkocht en komt er geld voor moeder. Maar dat is het niet alleen; ik moet het de menschen zeggen hoe mooi alles is, wat een licht er overal is. Het is net zoo als grootvader met zijn preeken. Grootvader wil dat de menschen goed zijn en vertelt hun dat en als mijn schilderij zegt wat ik gezien heb en gevoeld, dan worden de menschen ook goed, wanneer zij er naar kijken en roepen: “hoe verwonderlijk is alles!”” Cool (1928: 44) 

“Moeder zag het, vader voelde dat hij begrepen werd en dat hij kon zeggen wat hij dacht en wat hij wilde met zijn werk. In vreugde ging het door haar heen: “mevrouw [een potentiële koopster / TC1954] bewonderde het werk, zij bewonderde den schilder in zijn heerlijk enthousiasme!” Wat waren zijn oogen groot, hoe was het hooge voorhoofd bewogen, wat ging er een bezieling van hem uit! (...)” Cool (1928:74) 

Ik wil me een citaat van TC1851’s woorden permitteren, een klein deel van een tekst “Synthese”, geciteeerd door TC1921 (1999), met enige redactie t.a.v. interpunctie:
“(...) Straalend in eeuwige oneindigheid der almacht phenomena is de synthese zichzelf bewust, slechts in het onbegrensde begrensd – en dat, O Athene, is uw kleed, is het Parthenon, dat is ook het door mijzelf geziene en bewerkte werk: de nacht in het Forum Romanum of de morgen aan het Nemimeer of de dag aan den Arno.
Nooit is een kunstwerk af, nooit is het goed, nooit is het volmaakt, maar juist doordat het dat nooit is, is het een kunstwerk wanneer het door een kunstenaar gemaakt is en zijn ziel er in is gelegd. Het kunstwerk dat is het heilige der heiligen vertoond aan de menigte. Dat is de heilige geest die nederdaalt en geïncarneerd is.
De gestalte die het neemt en die zijner geest is ook voor een deel eigen maaksel. Schoonheidszin is de terugblik op het zichzelf bewust phenomena. De levende ziel dat is des menschen anderen mensch. 
Maar, Athene, gij voor wien wij Diep ter aarde buigen, omdat gij ons werk zijt en de gestalte bent van het ongenoemde geheimzinnige. Gij ontraadselt nog hoe hebt gij gemaakt. Opdat gij en uw kleed, opdat eindelijk ook de werkman niet maar zou knutselen en toevallig iets moois make, maar schoonere gestalten verhevener werk nog teweegbrengen. O Machtige Synthese ontsluiert het. Ik offer mijn aards bestaan op ter uwer verheerlijking want Gij bestuurt uit kracht – zonder vernietiging hij bestaat niet mensch zonder onmensch. (...)”
Ik kan overgrootvader hier goed begrijpen want zo denk ik ook zelf wel een beetje over werkloosheid en armoede en de noodzaak te komen tot een herziening van de Trias Politica. O Machtige Synthese, geef ons een parlementaire enquete !

De bronnen Wagenvoort en Couperus zijn iets complexer.

Wagenvoort (1909) in een lang artikel over hem: “Een der begaafdste menschen, die ik het voorrecht heb genoten over mijn levensweg te zien gaan, was zeker wel Thomas Cool. Ik maakte zijn kennis op aanbeveling van de beeldhouwer Pier Pander in Rome: “Je moet hem ‘es gaan bezoeken”, zei deze, “hij zal je wel merkwaardige dingen laten zien.” (Denkelijk in de zin van “opmerkelijk”.)
“(...) dat Thomas Cool een waar en gelukkig kunstenaar was (...)” (Greshoff (1930) in een recensie van Maurits Wagenvoort’s autobiografie “De Vrijheidzoeker” (1930)) 
Louis Couperus (1989:48-49): 
“En als hij begon te spreken, vooral te spreken over Rome, als hij zijn droom gaf in woorden, in bijna boeke-zinnen, maar zoo geleidelijk en natuurlijk vloeiende van zijn lippen, voelde Cornélie zich harmonisch, voelde ze zich veilig, geïnteresseerd, en verloor ze een weinig die zucht tot tegenspraak, die zijn artistieke indolentie soms bij haar opwekte. En daarbij, zijne indolentie scheen haar eensklaps maar schijnbaar, en misschien wel aanstellerij, want hij toonde haar schetsen, aquarellen, geen enkele af, maar elke aquarel levend van licht, van licht vooral, van alle licht van Italië: de parelen zonsondergangen over het vloeiende emerald van Venetië; Florence’s torens droomvaag geteekend in theeroosteedere luchten; het forteresachtige Sienna zwartblauw in blauwende maneschijn, oranje zonnebranden achter Sint-Pieter, en vooral de ruïnes en in ieder licht: het Forum in felle zon, de Palatijn in den avondschemer, het Colosseum in den nacht geheimzinnig, en dan de Campagna: al het luchtgedroom en lichtgewaas van de blijde en droeve Campagna, met zachtroze mauve’s, dauwende blauwen, opduisterende violet, of de brallende okers van zonsondergangen als vuurwerk, en wolkuitwaaiïngen als purperen fenixwieken. En toen Cornélie hem vroeg waarom niets af was, antwoordde hij, dat niets goed was. Hij zag de luchten als droomen, vizioenen en apotheozen, en op papier werden ze water en verf, en vèrf, dat was niet af te maken.”
Winters (2010) ziet de belangstelling van TC1851 ontluiken bij de lichtwerking van de marmers in het vaderlijk bedrijf. Dit bedrijf is in 1848 opgericht zodat TC1851 inderdaad in zo’n omgeving is opgegroeid en ook als tiener gewerkt zal hebben. Het ontwerpen van marmers moet secuur gedaan worden en iemand die dat kan is voor zo’n bedrijf waardevol, zodat de toestemming voor de Academie te Antwerpen op zijn 18e begrijpelijk is. Marmer heeft ook lichtwerkingen, het is niet voor niets populair. Echter, de redenering marmer -> licht -> kunstenaar zou banaal zijn. Voorop staan het talent en de kunstzinnige inspiratie want zonder dat kan het marmer je gestolen worden. Ook de belangstelling voor Rome is historisch en kunstzinnig-architectonisch van aard en niet alleen omdat er veel marmer is. Een belangstelling die Couperus kon aanvoelen.

Een voorlopig besluit

De aandacht van Couperus en Wagenvoort is op de keper beschouwd niet onverdeeld gunstig. 

Wagenvoort stond heilig achter TC1851, sprak ook bij de tentoonstelling in 1930, maar Wagenvoort wordt door velen gezien als een kleine Couperus, en bezit op het toneel derhalve weinig stemkracht. Couperus stal literair de show maar vloog als vlinder van onderwerp naar onderwerp, en een duurzame ondersteuning van TC1851 vond klaarblijkelijk niet plaats. Onbekend is of hij een werk gekocht heeft. Mij is onbekend wat hij van Van Gogh dacht. Pijnlijker is dit: Couperus verzint een "affaire" en het is de vraag of TC1851 met zo’n boek kan aankomen bij vrouw en klanten. Couperus verdiept zich niet in de psychologie van de echte kunstenaar maar knutselt tot lezeressen gaan zwijmelen. Het boek is zo een kus des doods. Het klinkt mooi: “Couperus vond inspiratie in TC1851”, maar je kunt er niet echt mee te koop lopen want het is náást de werkelijkheid, náást de echte schilderkunst die voor zijn ogen plaatsvond – maar je kunt het ook niet helemaal negeren, en iedere keer dat je het noemt vergt het een langere uitleg die op de verveling werkt - zoals deze bespreking. Persoonlijk heb ik niets met Couperus, vind ik een schilderij van overgrootvader krachtiger dan het langdradige geleuter van Couperus, en houd ik me maar vast aan het adagium dat smaken verschillen.

Welbeschouwd maakte ook Wagenvoort het zijn held niet zo gemakkelijk. In misschien zijn hoofdwerk “De droomers” van 1900 beschrijft hij “den Hollandschen schilder en socialist Terhaer” (recensie De Gids (1900)), volgens de autobiografie ook geïnspireerd op TC1851. Abraham Kuiper veroordeelde het boek wegens de ‘invoering van de koningsmoord’ (‘s-Gravensande (1929)). Ook fictie echter, en ook geen aanbeveling voor je schilderijen. Literaire aandacht is aldus geen onverdeeld genoegen.

Geen goede daad blijft ongestraft. Heeft dochter Tine met haar boek de nagedachtenis aan haar vader goed gedaan ? Deze vraag bespreek ik elders, het is mogelijk een teergevoelige zaak in de familie.

Ook de tentoonstelling in Leeuwarden is vooral gericht op Pier Pander. Pander had dan contact met TC1851 maar het is niet zo dat het werk van TC1851 daar centraal staat zoals in het Stedelijk in 1916 of 1930. Het lijkt wel of vampieren zich op hem storten - want van echte aandacht voor TC1851 en zijn kunstzinnige doelen is nog geen sprake.

PM. In zijn aantekeningen schrijft TC1921, kleinzoon van TC1851: "Op 6 juni 1999 een bezoek gebracht aan het museum "Louis Couperus en Pier Pander. Twee verwante zielen" te Den Haag. Het was daar niet bekend dat in de Hollandse kring te Rome, Louis Couperus en Pier Pander bij Thomas Cool op visite geweest waren met de correspondent Wagenvoort." Waarom TC1921 dat schrijft, welk bewijs daarvoor is, is onbekend. Het is niet ondenkbaar dat hij Wagenvoort (1909) te vrij ingevuld heeft.

Literatuur

PM. TCjaar = Thomas Cool, geboren in jaar

Cool, C.A. (Tine) (1928), “Wij met ons vijven in Rome”, Van Holkema & Warendorf
Couperus, L. (1899, 1989), “Langs lijnen van geleidelijkheid”, Veen (Volledige Werken 16)
Gemeren, R. van (2010), “Het land van boze koningen en geheimen. Nederlands-Indië door de ogen van Multatuli en Louis Couperus”, Louis Couperus Museum
Gids, De (1900), “Letterkundige kroniek. De Droomers, door Maurits Wagenvoort.”, P.N. van Kampen & zoon, Internet 22 juli 2010
‘s-Gravensande, G.H. (1929), “Maurits Wagenvoort. Vijftig jaar journalist”, Den Gulden Winckel. Jaargang 28, Hollandia-Drukkerij (21 juli 2010)
Greshoff, J. (1930), “Boekenschouw. M. Wagenvoort, De Vrijheidzoeker. - Amsterdam, J.M. Meulenhoff”, Den Gulden Wickel Jaargang 29. Hollandia-Drukkerij, Baarn (Internet site 22 juli 2010)
Komrij, G. (1986), “Verzonken boeken”, De Arbeiderspers. Met name p70 e.v. “Futurisme op pantoffels. Maurits Wagenvoort: Het koffiehuis met de roode buisjes”
Leeman, F. en H. Pennock (1996), “Museum Mesdag. Catalogue of paintings and drawings”, Van Gogh Museum & Waanders
Ros, B. (2003), “Een bekroning uit 1928. Een reis naar Rome”. Blz. 49-58, Literatuur zonder leeftijd, Jaargang 17, nummer 60 (Thema: Jubileumnummer)
TC1921 (1998), “Genealogie van de Groninger tak – protestant, in oude generatie doopsgezind – van de familie Cool”, uitgave in eigen beheer
TC1921 (1999), “160 Jaar schilderkunst in de familie van Thomas Cool”, uitgave in eigen beheer
TC1921 (2004), “Genealogisch eindonderzoek naar de oorsprong van de Groninger tak – protestant, in oude generatie doopsgezind – van de familie Cool”, uitgave in eigen beheer
Wagenvoort, M. (1900), “De droomers”, 2 delen, H.J.W. Becht
Wagenvoort, M. (1909), “Artikel over Thomas Cool”, Soerabaiasch Handelsblad, Solo 4 feb
Wagenvoort, M. (1930), “De vrijheidzoeker”, Meulenhoff
Winters, W. (2010), “Thomas Cool 1851-1904: Een Friesch Schilder”, Perio