Excentriciteiten en paradoxen

Maurits Wagenvoort

Soerabaiasch Handelsblad, Solo 4 februari 1909

Een der begaafdste menschen, die ik het voorrecht heb genoten over mijn levensweg te zien gaan, was zeker wel Thomas Cool. Ik maakte zijn kennis op aanbeveling van de beeldhouwer Pier Pander in Rome: "Je moet hem ‘es gaan bezoeken", zei deze, "hij zal je wel merkwaardige dingen laten zien." [Denkelijk in de zin van "opmerkelijk" / TC1954]

En zoo deed ik, en zoo zag ik, toen en vele jaren daarna nog. Dit kan nu een goed twaalf jaar geleden zijn. Daar was dien winter in Rome een aardig clubje Hollanders: behalve Pier Pander, die met zijn oude vriendin juffrouw De Kanter van zijn atelier en huiskamer een neutraalterrein maakte waarop tegen het middag-thee uur, alle landgenooten elkaar konden ontmoeten, waren daar toen Louis Couperus en zijn vrouw, Piet De Josselin de Jong, de schilder Romolo Koelman, die ten minste voor de helft een Romano di Roma is trouwens zijn naam getuigt er reeds van en zijn vrouw, voorts een geestige barones Von Muffling, Brabantsche van geboorte, juffrouw De Vries Robé, correspondente van het Haagsche Vaderland, zeer geavanceerd in hare meeningen en een hart van goud, en dr. H. Modderman, correspondent van de Nieuwe Rotterdammer Courant, die kort daarna, op straat vermoord werd gevonden. Trouwens, zij ‘t ook niet op zulk een verschrikkelijke wijze: de meesten van ons Romeinsche clubje zijn reeds heengegaan om niet terug te komen. Cool is dood, De Josselin de Jong is dood, mevrouw Von Muffling is dood, juffrouw De Vries Robé is dood: makkers, achtergelaten op den levensweg, die nu niets meer zijn dan lieve herinneringen.

Thomas woonde met zijn gezin: vrouw en drie kinderen, in een dier groote schilderskazernen, zooals men er zoovele in Rome en Florence vindt, ateliers met belendende huiskamers, op een hoogte naast den heerlijken Pincio-heuvel, en daarvan slechts gescheiden door de beroemde villa Borghese. Ook zijn atelier werd "Villa" genoemd, "Villa Weiler", of zoo iets [Villa Strohl-Fern, momenteel het Lycée Chateaubriand (Google map) / TC1954], maar het was een echte barak, eigendom van een zonderlinge Duitser, en gelegen in een slecht onderhouden tuin, die heerlijke uitzichten bood over het Tiber-landschap in de Romeinsche Campina.

Op het eerste oogenblik der kennismaking ontving ik van hem geen direct gunstigen indruk: hij was het volmaakte type van den "bohemien", dat mij even tegen is als zijn pendant: het volmaakte type van den "bourgeois". Hij zag er wel zeer slordig uit, die goede Cool: sjovel in de kleeren, lange haren, een onverzorgden baard, op het hoofd een Rembrandtmuts, maar hij had het gezicht van een bezield profeet. Zijn gelaat was mager en bleek, zijn gebogen neus leek daardoor van ongeëvenredigde grootte; in zijn mond maakten twee alleenstaande tanden den indruk nog zonderlinger, maar in zijn groote blauwe oogen werd het licht weerkaatst van de heerlijke visioenen, welke hij nimmer afliet zich te droomen, en op zijn hoog en edel voorhoofd was als een weerschijn van schoonen gedachten. Hij was de eenige zoon van een rijk Amsterdamsch schoorsteenmantelfabrikant, en had een goede, zoo niet zorgvuldige opvoeding genoten. Zijn vader, een koppige Fries, had hem bestemd tot zijn opvolger in de zaak, en hem daartoe opgeleid, vooral nadruk leggende op de beteekenis voor zijn vak van goed teekenonderwijs. Het bleek ook spoedig, dat de jonge Thomas daarin anderen vooruit was, zoodat hij op jeugdigen leeftijd reeds de hoogste acte voor het teekenen bezat, en later ook eenige jaren werkzaam was als leeraar aan een meisjesschool te Arnhem. Maar het bleek tevens spoedig dat teekenen alleen den jongen man niet voldoende was. Door zijn vaders zaak werden zijne gedachten vroeg geleid naar marmerwerken van daar naar Edele, waar het marmer vandaan komt, van daar naar de oude geschiedenis van Rome, toen Caesar van die stad van hout "een stad van marmer" had gemaakt. Rome -het oude- met zijne schouwburgen, renbanen, paleizen, tempels, badhuizen van marmer, met zijne baselieken en fora, zijne standbeelden en fontein, deze urbs aeterna boeide zijne gedachten droomen met nooit verminderde kracht. Op de zolder van zijn vaders huis had hij zich een studeerkamertje getimmerd en daar alles verzameld wat hem aan Rome herinnerde: enkele gipsafgietsels, boeken, veel boeken over Rome, platen, veel platen aan de wand. Daar sloot hij zich in zijn vrije uren op, en dan was alles weg voor hem. Zijn lichaam mocht zich bevinden in het zolderkamertje van het huis op de Rozengracht te Amsterdam, in Nederland [Bloemgracht 77 of anders Sneek / TC1954]; zijn heele innerlijke mensch was in de "Eeuwige Stad" ten tijde der Caesaren in Edele; in het Rome zijner verbeelding. Hij las veel over de marmerpracht dier onvergelijkelijk bouwwerken en voor zooveel er geen platen van bestonden, werkte hij zich zoozeer door in hun beschrijving, dat hij ze inteekende zooals zij, naar zijn verbeelding moesten geweest zijn, of soms zelfs er een model van boetseerde. Maar zijn vader, maar de marmeren schoorsteenmantels, maar de nieuw gebouwde huizen in Amsterdam en in Nederland drongen, naarmate hij de jaren zijner jeugd verdroomde, de werkelijkheid met steeds scherper hoeken in de plaats van het oude Rome, en kwam een tijd, dat hij zeker wist dat zijn roeping de schilderkunst was, een schilderkunst van grootsche bouwwerken, maar ook dat hij daaraan niet mocht en niet kon beantwoorden.

Ik heb Cool nooit anders dan opgeruimd gekend, toen hij een man was van tusschen de veertig en vijftig: hij is dus ook waarschijnlijk een moedige jonge kerel geweest, toen hij met zijn leven van verzekerde toekomst in den handel van schoorsteenmantels stond voor zijne verwoeste illusies van schilder te worden, schilder in Rome. Maar een dergelijke ervaring gaat niet over een leven heen, zonder daarop zware slagschaduwen te werpen en er een deel van in volslagen duisternis te laten. De oude Cool had er al zijn liefde op gezet, dat zijn zoon hem zou opvolgen in de zaak, die hij van klein groot had gemaakt; hij wilde er dus niet van horen, dat deze een ander beroep zou volgen, allerminst een zoo onzeker als dat van schilder, en de zoon had een te hartelijk genegenheid en een te volstrekte eerbied voor zijn vader om zich niet bij diens verlangen neer te leggen. Zoo was hij reeds over de dertig, toen hij in Friesland kennis maakte met de dochter van een talrijk notarisgezin: [Berber, dochter van dominee Kijlstra van Beers / TC1954] voorzien van eenige onderwijsakten, eer geleerd dan mooi, maar met een achtenswaardig hoeveelheid gezond verstand, een eerbiedwekkende hoeveelheid levensmoed, een bewonderenswaardig hoeveelheid toewijding, voorts... geen cent, dat spreekt van zelf; trouwens, zij kwam uit een gezin van ik geloof tien of twaalf kinderen. Zij begreep hem, wist genoeg van Rome en de oudheid om de schoonheid zijner dromen te vermoeden, zag met haar scherpen blik dat zijn opgeruimdheid een onpeilbare levensleegte verborg: zij stemde toe met hem te trouwen op voorwaarde.... dat hij zijn zeker bestaan in het geld verdienen in zijns vaders zaak opgaf, en met haar naar Rome trok, desnoods om daar armoede te lijden. [TC1921: "nu zit Wagenvoort er helemaal naast en fantaseert hij" / TC1954]. Het was haar te doen om een gelukkig man tot echtgenoot te hebben, niet een rijk, of althans welgesteld man.

In dit practische leven van heden zijn er gelukkig nog heerlijk onpractische menschen, en deze zijn het juist, die sommigen steeds met het leven verzoenen in de oogenblikken dat zij er zich vol afkeer van wenschen af te wenden. Zoo waren Thomas Cool en zijn vrouw in de "Villa Weiler", [Villa Strohl-Fern / TC1954], even buiten de Porta Pinciana te Rome, toen ik hen ‘t eerst leerde kennen. Zij hadden den ouden Cool bewogen, toen de zoon dan het groote, maar, helaas, late besluit genomen had om de schoorsteenmantels en hun winst er aan te geven, om de hand niet geheel van zijn eenig kind af te trekken, in tegendeel hem een jaargeld toe te kennen van fl 1200,- per jaar: maar dit ook was zijn uiterste concessie: indien zijn zoon voortaan ook niet dood voor hem was diens schilderkunst bestond niet voor hem. Dit jaargeld behoedde het gezin, dat spoedig verrijkt werd door drie kinderen, [reeds daarvoor geboren / TC1954], voor een volstrekte armoede, maar er ging zeker fl 400.- af voor atelierhuur, doeken, verven en penseelen. Want Cool zag alles groot, zelfs de hoofden zijner vrienden, die hij ten minste tweemaal de natuurlijke grootte gaf, als hij, wat hij zelden deed, al eens een portret van hen nam: hoe zou hij dan de grootsche bouwvallen van het oude Rome klein hebben kunnen zien? Toen ik hem heb leerde kennen had hij reeds vele doeken geschilderd:het "Colisseum bij maanlicht", het "Forum Romanum" bij maanlicht, de "Santa Maria Maggiore" van binnen, en het "Pantheon" van binnen, vele meters groot, dat is volkomen onverkoopbaar op de kunstmarkt. Naarmate zijne kinderen grooter geworden waren, waren zijn doeken ook gegroeid; op zijn kleinst maakte hij houtskoolteekeningen, toch nog zoo groot als het grootste soort gewone Hollandsche schilderijen, maar dit was voor hem dan ook miniatuurwerk. 

Wat hij als schilder beteekende, wil ik hier onbesproken laten. Ik heb steeds veel waardeering voor zijn werk gevoeld en die voel ik nog, misschien wijl ik een anderen, misschien zelfs onjuiste maatstaf van beoordeeling aanleg; een waardeering eer voor wat er in, dan wat er op de schilderij te zien was. Holland heeft nog altijd schilders van beteekenis,maar men moet met hen gesproken hebben om te weten hoezeer eenzijdigen daardoor bekrompen, hoezeer fanatiek voor hun eigen opvatting van kunst en daardoor onredelijk hard van oordeel zij zijn voor alles en allen, die daarbuiten durven gaan. Wij zijn een volk te ernstig en zwaartillende levensopvatting, en de Hollandsche schilders van heden zijn het tegenovergestelde van de lustige en levensvierende kwanten, zooals wij ons maar ten onrechte, zoo gaarne Frans Hals, Jan Steen of andere vroolijke schilders uit onzen bloeitijd voorstellen. Zeker, enkele onzer schilders hadden de oogen wijd genoeg open om in Cools werk althans een vonk te zien van dat heerlijke genie, dat zich aan banden, overgeleverde vormen of verroeste tradities niet stoort: Josseling de Jong, Bauer, Mesdag geloof ik ook, hadden een woord van goedkeuring er voor over. Misschien hadden zij gelijk, zeker hadden zij gelijk, als zij zeiden dat Cool ‘s techniek te kort schoot, dat zijn bedoeling beter was dan zijn kunnen. [Beheersing van de techniek toont zich in de aquarellen; het dromerige van de olieverven is een bewuste keuze / TC1954.] De tien of twaalf jaren dat hij in vaders zaak geld verdiende met schoorsteenmantels te teekenen en te verkoopen, zijn beste leerjaren dus, waren onherroepelijk voor zijn kunst verloren gegaan en niet meer in te halen. Ook Mesdag heeft zich eerst, 30-jarige man, als kunstenaar gevestigd, maar, rijk en onafhankelijk, behoefde zeer zeker geen enkel jaar door zijn studie verloren te gaan, en zoo was hij reeds grootendeels voloefend, toen hij zich schilder vestigde. Cool had geen geld om zijn reuzendoeken, omlijst, naar vele tentoonstellingen te zenden. Wanneer hij er soms een naar een Hollandsche tentoonstelling zond, dan had hij daarvan meer ergernis dan genoegen. Mijn God, hier was een Hollandsche schilder, en die schilderde reuzendoeken, terwijl toch ieder weet, dat de Hollandsche kunst "Kleinmalerei" is, en, aldus gedecreteerd door men weet niet welke wetgevers,"Kleinmalerei" moet zijn: eerste onvergeeflijke zonde, die de beoordeelaars tegen Cool innamen; hier was een Hollandsche schilder, en die dorst iets anders te schilderen dan koetjes in de melkbocht en boerenrinnenhuisjes: tweede zonde; hier was een Hollandsche schilder, die nog zoo ouwerwetsch was om in Italië te willen wonen, het land dat noodzakelijk een Hollandschen schilder moet bederven: derde zonde, en deze Hollandsche schilder die Oomes in zoovele opzichten durfde trotseeren, was de techniek niet meester, en dus vielen ze allemaal, die in kranten kolommenlange critiek kwijlden, over hem heen en hadden geen schimpscheuten genoeg voor hem. Ik zal nooit vergeten, omdat het mij pijn deed den smartelijken trek van zijn gelaat te zien, hoe Cool mij meedeelde, dat de miserabele Johan de Meester, die zijn levenslang nooit een groote of edele gedachte heeft gekoesterd, en dus eer beklag dan geringschatting verdient, hij die zelf nooit iets anders gedaan heeft dan zijne grooteren op handige wijze na te praten en te beflikflooien, in de Nieuwe Rotterdamsche Courant de "Santa Maria Maggiore" vergeleken had met "mozaiekzeep" of een "spek pannekoek". 

Toen zijn vader gestorven was [21 april 1896 / TC1954] en hij dus ruimte van middelen bezat, en het gezin uit de armoede was gekomen, maar niet uit den eenvoud van levenswijze, die het tot een tweede natuur was geworden, heeft Cool, vooral in Duitsland tentoonstellingen zijner werken gehouden, van welke de dagbladen zeer roemende verslagen gaven; maar die lof bleef geheel platonisch: verkoopen deed hij niets; immers zijn werk had wel ontegenzeggelijk gebreken, buitendien viel het te veel uit het gewone mooi, en was het ook te groot om verkoopbaar te zijn. ["dit tournee begon in 1899 en duurde twee jaren. De voornaamste steden werden bezocht, zoals Berlijn met een recensie van de Berliner Lokal Anzeiger d.d. 25 mei 1899 en in Dresden met een recensie in het Dresdener Journal d.d. 10 juli 1899. enz. enz." / TC1921] Maar het kwam er nu minder op aan of hij verkocht, al had hij in het verkoopen dan een sanctioneering van zijn kunst kunnen zien: zijn dappere vrouw en zijn kinderen hadden al wat zij voor hun gezondheid behoefden, en Cool had nu, zooals voorheen, zijn droomen van schoonheid, en die zijn vrouw mee trachtte te droomen, en waarin de kinderen werden opgevoed.

Want wat Thomas Cool boven de tienduizend personen die men in een leven kan ontmoeten voor had, was niet wat hij als schilder gaf, maar wat hij als kunstenaar, als mensch trachtte te uiten, ‘t zij in vers, ‘t zij in muziek - want hij speelde voortreffelijk viool, ofschoon ook hierbij zijn onstuimige ziel het gebrek aan techniek nog verduidelijkte, ‘t zij in woord. "Je merkt zoo aan alles", zei Josselin de Jong eens, "dat er iets in hem gloeit" en zoo was het. Nog in zijn armoedigste tijd, in de "Villa Weiler" [Strohl-Fern / TC1954], waren daar twee Hamburgsche beeldhouwers, Kümm en Kuhn [blijkbaar niet gemakkelijk te vinden op internet / TC1954], die ik nooit ontmoet heb, ofschoon zij een groote plaats in Cools leven en spreken innamen. Wat zij als kunstenaars waard waren weet ik niet: een marmeren borstbeeld van Cools dochtertje [Catharina Alida Cool, Tine, Tinchen, Duits Tienschen / TC1851] in den rijkste tijd gemaakt, heeft mij nooit iets bijzonders geleken, maar zij moeten goede en vertrouwelijke menschen geweest zijn, kunstenaars toch wel van aanleg, gemütliche Duitsers ook, die zich niet schaamden voor hun hart, zooals de meeste Hollanders, Cool raakte nooit over ze uitgepraat, het was altijd over Kümm en Kuhn, en wat zij dachten, hoopten en bedoelden in hun Duitschen kunst, en hoe Cool dan in zijne wilde schoonheidsdroomen meesleurde om ook hen te bezielen om het onmogelijke te beproeven, zooals hij het zelf gedaan had en met den tijd meer gewaagder deed. 

Want dit was het groote van deze waarlijk groote ziel, die steeds streed tegen materie zijner kunst en haar techniek, altijd door die twee overwonnen, maar nooit ontmoedigd, nooit zich overwonnen erkennende. Naarmate Cool ouder werd, scheen hij te verjeugdigen, trachtte hij naar wat nòg onbereikbaarder, nòg onmogelijker, nòg vermeteler was, onstuimig, wild, onberekenend zijne krachten. Nadat hij de grootsche bouwvallen en kathedralen van Rome alle geschilderd had, wierp hij zich op de Italiaansche natuur, maar met de meest fantastische lichteffecten: het "Nemimeer bij nacht"; het "Nemimeer by avondgloed"; later werd dat een kleurendroom, schoon, niet als kleur, maar als droom, maar tevens bedroevend van menschelijk onvermogen: iets chaotisch, zooals zijn droomen op latere leeftijd chaotisch werden.

Men moest hem hooren spreken. Hij had altijd iets van een ziener, iets van Mozes op den Hareb het Beloofde Land aanschouwende. Als hij een mooi boek over sterrenkunde gelezen had - Flammarion was hem zeer lief, omdat diens visioenen gedragen werden door gelijke vermetelheid als de zijne, of een boek van de nieuwste ontdekkingen, of een schoon dichtwerk of roman; wanneer hij in reproducties had gebladerd van werken van groote meesters, Rembrandt, Velasquez, Goya, Doré, of gestudeerd in theosofie of werken over oude en nieuwe godsdiensten; als hij pas een sonate van Beethoven had gelezen of had gespeeld, dan moest men hem hooren! Soms deed wat hij zei zelf mij aan Beethoven-muziek denken: het lage, onschoone, gemeene bestond dan niet voor hem, zijn woord was louter, verheven, had breedte en toch zeer lichte, tevens zeer sterke vleugels: het nam den toehoorder op, omhoog, en deed hem het leven schoon zien en de toekomst nog schooner. Soms vergat ik er zelfs naar te luisteren: meegevoerd door hem, droomde ik mijn eigen droomen tot ik soms "ja" antwoordde, waar het "neen" moest zijn, maar ik ging niet van hem vandaan, of ik voelde mij bemoedigd, beter, opgeruimder. Want ik zei het u reeds: hij was vóór alles een opgeruimd man. Ondanks zijn teleurstellingen, ondanks zijn armoede, ondanks de zorg voor het gezin, die zijn moedige vrouw trouwens geheel alleen droeg, kon hij echt opgewekt wat vertellen. Als hij vertelde van het bohemiens-huishouden van Kümm en Kuhn, waren zijn blauwe oogen een en al tinteling en was zijn lach zoo aanstekelijk, dat men niet enkel meelachte, maar een tinteling van vroolijkheid door het heele lichaam voelde.

Ik haat armoede en heb er afkeer van, daarom heb ik voor arme menschen elke sympathie en elke vergiffenis. Maar de armoede van het gezin Cool was een schoone, was een poëtische: zij waren trouwens rijk, want dit gezin bezat wat rijk maakt boven miljoenen gouds: Vrouw en kinderen hadden lief en bewonderden den vader; de vader had lief zijn vrouw en kinderen, en bewonderde zijn kunst en in zijn kinderen zich zelf. Want in dit opzicht was hij wel egoïst: om zijn kunst groepeerde zich het geheele leven en alles wat hem aanging. Zoo bestond hun armoede niet, of slechts zelden: want de kinderen waren te jong en de ouders te blijmoedig om de armoede te voelen. Tenslotte behoedde het kleine jaargeld het gezin voor gebrek, en dit was alles wat verlangd werd.

Later heb ik Cool herhaaldelijk weer gezien, te Bussum, waar hij zich een klein landhuis had laten bouwen en een groot atelier. De poëtische armoede was toen weg en dat speet mij, want het was niet meer hetzelfde als te Rome in de schildersvilla buiten de Porta Pinciana. Hier is Thomas Cool ook gestorven, en hier houdt mevrouw de weduwe Cool ook zijn atelier open voor ieder, die een hart heeft om de stoute, ofschoon dan gebrekkig vertolkte droomen van dezen bijzondere man te komen zien. Men doet haar een genoegen door een bezoek, zoodat ik ieder die daar in de buurt komt, kan raden er eens aan te gaan. Er is daar het levenswerk te zien van een man, die, zoo hij al geen groot schilder was, alles bezat om hem tot een groot kunstenaar te stempelen, met uitzondering wellicht van het geduld, deze onmisbare eigenschap der kunst.

Februari 1909 Maurits Wagenvoort


Het artikel "Italië", door Wagenvoort, ongesigneerd, Haarlemsche Courant 22 juli 1895.



TC1954: De schilder TC1851 stelde: "Het geen ik zeg is door mijn werk". Hier staan de werken. Derhalve zouden we over zaken als kundigheid en geduld eigenlijk moeten zwijgen. Commentatoren evenwel ontlenen hun bestaan eraan niet ook zelf te gaan schilderen maar commentaar te leveren. En TC1851 zegt natuurlijk zelf ook wel iets over zijn bedoelingen. Aan de aquarellen kun je zien dat hij technisch vaardig was en geduld had. De conclusie lijkt onontkoombaar dat ook de andere werken een bewuste keuze zijn, ook al zou dat bij sommigen niet zo overkomen (zoals blijkbaar Wagenvoort die enige twijfel oproept).



TC1921: "In het Brabants Dagblad van d.d. 4 febr. 1994, las [ik] een berichtje over een jaarsalaris van fl 1200,- van een gemeenteambtenaar van de stad Den Bosch, die als ingenieur-architect aldaar in dienst was in 1900. In tegenstelling met wat Wagenvoort schreef over een toelage van fl 100,- per maand, bleek uit gegevens uit het testament van Gerrit Cool dat Thomas Cool een maandelijkse toelage kreeg van fl 140,-. Dit is jaarlijks fl 1680.- !!."

Maurits Wagenvoort bij de tentoonstelling in 1930:

Toen ik, een vijf en dertig jaar geleden, in Rome Thomas Cool en zijn sympathiek gezin leerde kennen, en voor zijn werk stond en andere schilderijen van zijn penseel allengs zag onstaan, ontving ik dadelijk sterk de indruk, dat deze vaderlandsche kunstenaar, gevestigd in het zoo lang door hem slechts gedroomde Rome, zoo al geen genie was, dan toch onmiskenbaar een geniale kant aan zijn bezieling bezat. Thans, nu ik na zoovele jaren, zijn "oeuvre" terug zie, ontvang ik dien druk opnieuw. Ik beoordeel zijn werk niet als techniek, zoomin als men het werk van Vincent van Gogh in zijn techniek mag beoordeelen. Thomas Cool was een dichter met verven, en de eigenaardige vorming zijner kunstenaarsziel in zijn jeugd trok hen al vroeg - leeraar M.O. teekenen toch geworden - onweerstaanbaar naar de grootsche bouwvallen van het keizerlijke verleden der "Eeuwige stad", aan welker fantastische voorstelling hij reeds in zijn geboortestad in volstrekten zin van het woord zijn hart had opgehaald. In Rome aangekomen kende zijn geestdrift, dit hoog opgehaalde hart, geen technische grenzen, en zoo ontstonden die grooten doeken, terwijl de kinderen ook grooter werden en het geestdriftige kunstenaarsgezin, mede opgetogen door vaders kunst en vaders droomen, zich blijde onderwierp aan een kunstenaarsleven in het tegenovergestelde van weelde. Wat moet er nu met die groote stukken gebeuren? Zullen zij voor de toekomst opgerold worden en ellendig vergaan? 

Zij zijn oneindig beter lot waard, dunkt mij. Zijn kleinere schilderijen, in het bijzonder dat heerlijk "Nemi-meer" bij maneschijn, een Midzomernachtsdroom, zal ongetwijfeld veler liefdevolle bewondering winnen, nu een familielid van de familie Cool, de Heer Dr. A. Idzerda, in ruime zaal alle Haagsche vrienden in de gelegenheid stelt met dit "Oeuvre" van een te vroeg overleden dichterlijk bezielde Nederlandsche schilder in Rome kennis te maken.

Mei 1930 Maurits Wagenvoort 


Postkaart van Kümm:

Liebe Frau Cool!                           Hamburg, 12 Juni 1930.

Ich war sehr erfreut von Gerrit [zoon van TC1851 / TC1954] zu hören, dasz nun doch die Ausstellung von Cools schönen Gemäldere in Den Haag zu stande gekommen ist. Ich wünsche Ihnen Austellung viel, viel Glück dazu. Tinchen wird wohl viel Mühe damiet gehabt haben. Nun hoffenlich wird es von dem Richtigen gesehen, der den Stein in Rollen bringt. Einmal musz der Erfolg doch kommen, das steht für mich auszer Frage. Ich bin mit meiner Kunst auch weiter gekommen. Es ist alles noch viel lichter geworden. Mehr Licht! darum dreht sich bei mir alles. Die Farbe habe ich noch wesentlich reducirt, so dasz die menschliche Figur gang und gar vom Licht umgeben als visionäre Marmer plastik erscheint. 

Das Wetter ist hier augenblicklich wie es nicht schöner sein kann. Hoffentlich bei Ihnen ebenso. Ihnen und Frau Tinchen noch viel Gutes wünschend vor allen in Hinsicht auf die Austellung, begrüsze ich Beide auf's herzlichste. 

Ihr Wilhelm Kumm



Bron: TC1921 (1998), "Genealogie van de Groninger tak – protestant, in oude generatie doopsgezind – van de familie Cool", uitgave in eigen beheer

TCjaar = Thomas Cool, geboren in jaar